| MARTHA
HOUSE EN DE AANLEG VAN DUGOUTS 1917-1918 Association for Battlefield Archaeology in Flanders (ABAF) Tekst: Fanky Bostyn ---- Realisatie: Johan Vandewalle |
Bij het thema Huisvesting en Onderdak tijdens de Eerste Wereldoorlog denken we in eerste instantie aan modderige, weinig beschutte loopgraven en bunkers in gewapend beton. Door de Association for Battlefield Archaeology in Flanders is hier echter een belangrijk hoofdstuk aan toegevoegd, dat van de dugouts.
De term dugout is woordelijk voor uitgegraven
schuilplaats en wordt derhalve in de vroegste faze van de oorlog
gebruikt voor de zgn. crubby holes, die men in de
rugwering van de loopgraven uithaalt als rustplaats voor ten
hoogste twee mannen.
Vervolgens wenden de Tommies de notie ook aan voor de
duizenden eenvoudige shelters, die al dan niet in de trenches
worden gebouwd uit zandzakken en versterkt zijn met hout, ijzer
of golfplaten, zoals het geval is bij de beroemde elephant
shelters.
De door de Britse, Canadese en Australische Tunnelling
Companies aangelegde dugouts zijn echter van een
derde type en kenmerken zich door de verticale of hellende
toegangen en het feit dat de constructie volledig ondergronds
wordt uitgebouwd en dat op een minimale diepte van 4 meter.
De dugouts die naar het einde van 1916, maar vooral in het voorjaar van 1917, zowat overal worden uitgegraven zijn echter in hoofdzaak bedoeld als hoofdkwartieren en dus bestemd voor officieren. Haig wil dan ook zijn Flanders Offensive van dicht bij de frontlijn laten dirigeren zodat er voor 31 juli 1917 in de sector van het Vijfde Leger niet minder dan 23 Brigade-, 62 Battalion en 7 Artillery Headquarters worden uitgegraven, evenals 7 ondergrondse Dressing Stations, 23 Observation Posts, 5 Infantry Systems en zo'n 550 m subway.
Bij het bouwen van ondergrondse kwartieren dienen zich op de
eerste plaats problemen aan met het kiezen van geschikte sites,
gezien deze niet alleen worden ingegeven door strategische
factoren, maar al evenzeer door de sterk variërende bodem. Aan
de bouw van een constructie gaan dan ook een aanzienelijk aantal
proefboringen vooraf, die echter niet wegnemen dat verschillende
werken reeds na enkele dagen of weken moeten worden stopgezet.
Een gevolg hiervan is dat de dugouts vrij gecentreerd zijn en dat
er ook monstersystemen ontstaan zoals Wieltje en Hill
63, die een totale ondergrondse capaciteit hebben van zo'n
2000 man.
De 15 Tunnelling Companies die na de Mesenslag aan
het Vlaamse front operationeel zijn, maar in augustus en
september hoofdzakelijk gewoon geniewerk verrichten, beginnen
eind oktober 1917 opnieuw met de aanleg van ondergrondse
verblijven in het op de Duitsers veroverde en totaal verwoeste
slagveld.
Vanaf eind november werken bijna 20.000 Tunnellers en
aangehechte Infanteristen aan de bouw van tientallen nieuwe
constructies, waaronder verschillende op het grondgebied van
Sint-Juliaan, en dat tot het Duits Lente-Offensief.
Hoewel de toegangen tot veel ondergrondse verblijven bij de
Britse aftocht in april 1918 worden vernield of dichtgegooid,
vallen o.m. in Sint-Juliaan toch heel wat dugouts ongeschonden in
handen van de Duitsers, voor wie de ondergrondse accommodatie
meer dan welkom is.
De Britten moeten nu opnieuw gebruik maken van de oude systemen
achter de frontlijn van 31 juli 1917 en de 184th Tunnelling
Company bouwt als enige overgebleven eenheid in Vlaanderen
zelfs een aantal nieuwe schuilplaatsen.
Vanaf 28 september 1918 heeft niemand nog belangstelling voor de dugouts en wanneer de bevolking pas een jaar later naar de frontstreek terugkeert, zijn de kwartieren ondergelopen en worden de verticale schachten na het nivelleren van de terrreinen vaak gebruikt als waterput, terwijl men de hellende toegangen gewoon dichtgooit. 80 jaar later komt het dan ook al eens tot een ondergrondse instorting of leggen grondwerken bij toeval zo'n dugout bloot.
--------------------------------
Op 29 oktober 1996 wordt o.l.v. Johan Vandewalle in Sint-Juliaan begonnen met het uitgraven van één van de drie grondverzakkingen op het veld van de familie Vandeconadelaere bij de hoeve Vancayseele, tijdens de oorlog bekend als Martha House. De site bevindt zich 150 m ten zuiden van Kansas Cross (kruispunt Ieper-Roeselare, Zonnebeke-Langemark) en 700 m noordwestelijk van Dochy Farm New British Cemetery. Uit de schaarse archivalia van de 184th Tunnelling Company (Public Record Office London) valt op te maken dat zich hier een onafgewerkte dugout bevindt, bestemd als veilig onderkomen voor oververmoeide Infanterie.
De drie bodemverschuivingen blijken al vlug het gevolg te zijn
van het instorten en/of dichtgooien van evenveel toegangstrappen
tot een ondergronds complex met een maximale diepte van 11 meter.
Door de grote technische en fysische inspanningen die met het
uitgraven van dergelijke ingangen gepaard gaan, wordt slechts
één incline onderzocht, waarvan de trap pas op een diepte van 3
m intact is in een kader van 1,8 x 0,9 meter.
Nog eens drie meter verder bevindt zich aan de linkerzijde een
kamer, die echter na de oorlog via een verticale luchtkoker is
volgestort. De ruimte fungeert mogelijks als wachtpost en
droogkamer, waarbij de aangetroffen grote nagels in de wand te
interpreteren zijn als een soort kapstokken.
In dit verband worden luchtkokers ook meer dan eens gebruikt als cookhouse
voor het spijzen van de magen van de hongerige bewoners.
Terug nu naar de trap, die na 25 treden uitloopt in een
horizontale dwarsgang met een hoogte van 1,80 m en een breedte
van 1,75 meter. In de galerij bevinden zich 11 stapelbedden, twee
breed en drie hoog, wat 66 slaapplaatse impliceert. De britsen
zijn 1,85 m lang en 0,45 m breed en overal bedekt met een soort
kippengaas.
Op de houten vloer tussen de wand en de bedden liggen duckboards.
Aan het einde van de 20 m lange galerij is duidelijk te zien dat
de bouw van de constructie nog niet ten einde is. Aan de andere
kant van de trap loopt de gang opnieuw uit op een hellende
toegang, die eveneens volledig blijkt dichtgegooid.
Op het laagste punt van de constructie ligt een eenvoudige Beck-handpomp,
vastgenageld op de vloer, om het overtollige grondwater naar
boven te halen.
Tegenover de beschreven galerij bevindt zich een tweede
verticale hoofdgang, aldus evenwijdig met de onderzochte trap,
waarin 42 slaapbritsen staan opgesteld. De dugout loopt hier
opnieuw uit op een trap, die eveneens is dichtgegooid.
Voor het einde van de constructie bevinden zich nog langs
weerszijden twee kleinere onafgewerkte ruimtes, mogelijks bedoeld
voor officieren. Verschillende met blauwe spie gevulde
jutezakken, klaar om te worden afgevoerd, allerhande
graafmateriaal en de afwezigheid van gebruiksvoorwerpen en
militaria bevestigen de partiële afwerking van de constructie,
die ook historisch is vastgesteld.
Na grondig te zijn gefilmd en gefotografeerd, wordt het
bouwwerk opgemeten door de diensten van het Instituut voor
het Archeologisch Patrimonium, waarna het verleden opnieuw
onder de grond verdwijnt.
Begin '97 tekenen de drie toegangen zich weer aan de oppervlakte
af, evenals de instorting van de onafgewerkte officiersruimtes.
| Algemene startpagina |