Bill Siebert

Bill Siebert werd in 1922 geboren in Portland (Oregon, VSA).  Hij is de zoon van Willi Siebert.  Bills ouders en grootouders langs moeders zijde weken in de lente van 1920 uit naar de Verenigde Staten waar reeds sedert eind vorige eeuw een grootoom van Bill woonde.  In Duitsland zagen ze geen toekomst meer.
In de lente van 1998 kwam de 76-jarige Bill op bezoek naar de Ieperse frontstreek waar zijn vader Willi tijdens de eerste wereldoorlog had gevochten en waarover hij zo dikwijls verteld had.  Omdat "zijn zoons meer over hun grootvader zouden weten" schreef Bill in mei en juni 1998 het verhaal van zijn vader Willi neer.

 

 

Willi Siebert

Willi Siebert werd in 1893 te Kassel (Duitsland) geboren.  Hij startte een vier jaar durende opleiding als leerling-apotheker.  Op het einde van zijn derde jaar opleiding stierf zijn begeleider echter en stond Willi op straat.  Uiteindelijk kwam hij in de verf- en vernishandel terecht.
In 1914 kwam daaraan een einde.  In mei mobiliseerde Duitsland en Willi nam liever dienst als vrijwilliger dan te wachten tot dat hij zou opgeroepen worden.  Hij kreeg een militaire opleiding en in augustus maakte hij als infanterist de opmars van de Duitsers door België mee.
In november werd hij naar Berlijn teruggeroepen.  In zijn dossier had men ontdekt dat hij wel één en ander van scheikunde wist.  Daarom werd hij overgeplaatst naar 'Pionierregiment 36'.  Dit regiment moest, samen met Pionierregiment 35, het gebruik van chloorgas aanleren en inoefenen.  De hele winter werd geëxperimenteerd op honden, apen en andere dieren.  In het voorjaar 1915 kwamen ze naar het westelijk front om alle voorbereidingen te treffen voor de eerste grootschalige gasaanval uit de geschiedenis.
Op 22 april 1915 hielp Willi als gaspionier mee om het chloorgas te laten ontsnappen en zo kon hij als één der eersten de gevolgen van het gebruik van gas waarnemen.
Willi Siebert besefte echter pas goed de gevolgen van gasgebruik in september 1915 toen hij aan het Russische front was waar de Duitsers eens te meer gas gebruikten.  Na het lossen van het gas keerde de wind en kwam hij zelf in de chloorgaswolk terecht.  Dank zij zijn gasmasker overleefde hij.  Zijn longen waren echter wel aangetast en hij werd ongeschikt verklaard voor actieve dienst.  Hij kreeg een administratieve functie in Berlijn en werd gedemobiliseerd in oktober 1919.
In 1920 huwde hij.  Zijn schoonouders en zijn vrouw weken uit naar de Verenigde Staten.  Hij volgde in 1921.  In Amerika kwam hij in de meubelindustrie en -verkoop terecht.
In 1961 kwam Willi voor 6 maanden terug naar Europa.  Met een Volkswagen Kever toerde hij overal rond en  bezocht hij zijn achtergebleven familieleden in Duitsland.   Hij kwam ook terug naar Langemark waar hij 46 jaar voordien het gas had helpen laten ontsnappen.  Op het voormalige slagveld ontmoette hij een Canadees die op 22 april 1915 bijna gedood werd door het gas.  De twee praatten de hele namiddag over waar ze waren in april 1915 en wat ze toen gedaan hadden.  's Avonds gingen ze samen uit eten en daarna zegden ze 'Tot ziens'.  Ze wisselden geen adressen uit : "Daar was geen behoefte aan ...".
Willi stierf in april 1972 aan een hartaanval.

 

Herinneringen van mijn vader

Jaren geleden, toen ik nog een jongen was en later, toen ik reeds volwassen was, zaten we dikwijls samen op de trap van onze veranda. Als het duister werd, keken we naar de vleermuizen die insecten vingen. Mijn vader en ik vertelden over veel dingen. Soms waren we over de sterren bezig : hij toonde me hoe ik de Grote Beer kon vinden en hoe de Poolster te lokaliseren. Hij leerde me te ontdekken hoe laat het was aan de hand van de Kleine Beer. Hij luisterde naar mij als ik over mijn vrienden en over school vertelde. Soms vertelde hij mij de verhalen van zijn achtergebleven familie in Duitsland, over de plaatsen waar hij geweest was en heel dikwijls over zijn ervaringen tijdens de eerste wereldoorlog. Hij vertelde over wat een oorlog is en hoe mensen zich soms gedragen.

Toen ik een jaar of vijftien was, vertelde ik mijn vader op een avond wat een lerares ons geleerd had over de Amerikaanse revolutie. Ik zei hem wat ze vertelde over George Washington die zijn manschappen leidde naar heroïsche overwinningen en over de moed en heldhaftigheid van de soldaten tijdens de gevechten bij Valley Forge.

Mijn vader luisterde rustig en zei dan zachtjes : "Er is niets glorieus aan vechten in een oorlog.  Jouw leerkracht lag nooit een halve dag in een gracht, bang om zich ook maar even te verroeren, zich afvragend of ze een uur later nog zou leven."

Toen begreep ik nog niet wat hij echt bedoelde. De ernst in zijn ogen en zijn bezorgde blik zorgden er wel voor dat ik nooit meer zijn woorden zou vergeten. "Zij stapte nooit door een veld waar alles rond haar dood was, waar helemaal niets nog leefde. Oorlog is niet glorieus, oorlog is vreselijk. Toen die mannen bij Valley Forge waren, dachten ze helemaal niet aan dapper zijn, ze probeerden enkel maar in leven te blijven. Winnen is niet beter dan verliezen, je probeert enkel in leven te blijven, misschien slechts voor nog één dag."

 

De oorlog van Willi Siebert

  Willi Siebert in juni 1917.  Toen had hij reeds een administratieve functie omdat  hij medisch ongeschikt voor actieve dienst werd verklaard doordat hij zelf getroffen was door chloorgas.

(Foto : In Flanders Fields Museum Ieper - Documentatiecentrum Caenepeel)

Novembers in België zijn nat en deze november in 1914 was niet anders. Stappend door de zompige modder op de bodem van de loopgraaf, vroeg mijn vader zich af waarom hij naar de commandant moest. Op het appèl bij de commandant geroepen worden, betekende iets ernstig en hij had er geen flauw benul van wat hij verkeerd kon hebben gedaan.

Bij de commandant kreeg hij het bevel om naar Berlijn terug te keren. Hij had geen idee waarom. De commandant verzekerde hem echter dat hij niet in moeilijkheden zat. Misschien kreeg hij daar een bureaujob. "Nee, zoveel geluk kan ik niet hebben," dacht mijn vader.

Het leger had zijn gegevens nagetrokken en had ontdekt dat hij  voor de oorlog leerling-apotheker was geweest en bijgevolg wel één en ander van scheikunde kende. In Berlijn werd hij naar de Genie overgeplaatst en werd hem geleerd hoe hij moest omgaan met gifgas.

Dit gifgas bevond zich in metalen gasflessen die werden gebruikt als zuurstofflessen voor laswerken of in het ziekenhuis. In Berlijn leerde hij het gas gebruiken op honden, apen en andere dieren. Hij leerde ook zijn gasmasker gebruiken. Het geheel bestond uit een stalen flesje van ongeveer 25 cm lang. Dit bevatte vloeibare zuurstof onder druk. Via een ontspanner, een rubberen slang en een mondstuk, kwam de zuurstof in de mond. Een soort wasknijper voor op de neus en een speciale bril vervolledigde de uitrusting. Na zijn opleiding kwam hij terecht in een peloton van 35 man. Het waren allen 'gas-pioniers' van het Duitse leger.

De metalen flessen met chloorgas werden ingegraven totdat enkel nog de kranen boven de grond uitstaken. Dit ingraven gebeurde in het donker, bij voorkeur tijdens een maanloze nacht.  Geheimhouding was van uiterst belang.  Als de Fransen een vermoeden kregen van de op handen zijnde gasaanval, konden ze het gas laten exploderen door middel van een artilleriebeschieting.  Vliegtuigen observeerden ook de linies.  Ze vlogen echter niet 's nachts en tegen het daglicht was alles weer verborgen.

Compagnies van de infanterie werden aan de gaspioniers toegevoegd.  Deze infanteristen deden alle draag- en graafwerk.  Het was heel belangrijk om hen zorgvuldig in het oog te houden.  "Die gasflessen waren zwaar en sommigen zouden de flessen wel eens willen kwijtspelen.  Als je hen niet in het oog hield, gooiden ze de fles ergens in een gracht of achter en struik en namen ze de benen."  De infanteristen wisten hoe gevaarlijk hun werk was.  Als er iets foutliep, konden ze maar weinig hulp verwachten.  Ze hadden geen echte gasmaskers.  Deserteurs die gesnapt werden, werden gefusilleerd.  "De infanteristen haatten ons.   Het leven in de loopgraven was zo al erg genoeg, maar ze hadden het nog veel slechter als wij in de buurt waren."  Als bescherming tegen Franse patrouilles werden luisterposten geïnstalleerd.  Met grote oortrompetten werden de Fransen afgeluisterd en met stethoscopen werden trillingen van de grond waargenomen.   De eerste gasaanval was belangrijk : het moest een succes worden.  Extra luisterposten werden geïnstalleerd en de wachttijden werden verkort om de aandacht niet te laten verslappen.  Alles werd 's nachts uitgevoerd.  Overdag kon niets van deze activiteiten waargenomen worden.  Er werden nog meer infanteristen aangevoerd om het graafwerk te versnellen.  "Gifgas is een gevaarlijk goedje.  Ik vergeet nooit meer die dagen halfweg april : al dat gas dat door de granaten van de vijandelijke artillerie kon exploderen."

"Eindelijk besloten we het gas te lossen.  Het was een mooie dag, de zon scheen, het gras was groen.  Eigenlijk hadden we moeten picknicken in plaats van te doen wat we deden.  De artillerie startte in de namiddag een hevige aanval want de Fransen moesten in hun loopgraven blijven.  Nadat de artillerie stopte met vuren, stuurden we de infanterie terug en openden we de kranen.   Het gas dreef naar de Fransen toe.  We vroegen ons af wat er nu zou gebeuren.

Toen de grote gaswolk zich vóór ons begon te vormen, hoorden we de Fransen plotseling gillen.  Na minder dan een minuut startten ze een geweer- en mitrailleurvuur zoals ik nog nooit had meegemaakt.  De Fransen gebruikten waarschijnlijk alles wat ze hadden om ons te beschieten.  Nooit hoorde ik zo'n lawaai.  Over onze hoofden vlogen ongelooflijk veel kogels maar deze konden het gas niet doen stoppen.  De wind dreef het gas verder naar de Franse lijnen toe.  We hoorden koeien loeien en paarden angstig hinniken.  De Fransen bleven maar vuren.   Ze konden echter onmogelijk zien op wat ze vuurden.  Na een kwartier begon het vuren te verminderen.  Na een halfuur viel slechts nu en dan nog een schot te horen.   Dan werd alles stil.  Na een tijdje klaarde het op en stapten we langs de lege gasflessen.  Wat we zagen was de dood.  Niets leefde nog.  Al het gedierte was uit de holen gekropen om te sterven.  Overal lagen dode ratten, konijnen en muizen.  De geur van gas hing nog steeds in de lucht.  Het bleef hangen tussen de weinige struiken die er nog stonden.  De Franse loopgraven waren leeg maar de volgende honderden meters lagen overal lichamen van gestikte Fransen.  Het was ongelooflijk.  Toen zagen we ook dat er enkele Britten bijwaren.  Je kon goed zien waar de mannen aan hun gezicht en keel geklauwd hadden in een poging om toch wat te kunnen ademen.  Sommigen hadden zichzelf geschoten.  In de boerderijen lagen de paarden dood in hun stallen.  Koeien, kippen, alles, iedereen was dood.  Alles, zelfs de insecten."

De geallieerde loopgraven na de gasaanval
(Foto's : In Flanders Fields Museum Ieper - Documentatiecentrum Caenepeel)


Aanvankelijk geloofde men in Berlijn de berichten van het front niet.  Pas na herhaling van het bericht, kregen de gaspioniers waartoe mijn vader behoorde, felicitaties.  De pioniers kregen een bonus van 600 Mark as 'Beute Geld' voor uitstekende diensten.  Dit bedrag kwam overeen met bijna de jaarlijkse soldij van een Duitse soldaat.

 

 

Nawoord van Bill Siebert

Ik denk terug aan de gesprekken die ik met mijn vader voerde.  We hielden van onze gesprekken en ik zal ze blijven koesteren.  Natuurlijk praatten we niet alleen over de oorlog.  Toch geloof ik dat hij mij, met zijn verhalen over de gebeurtenissen tijdens de oorlog, wilde ontmoedigen om aan een militaire carrière te beginnen.  Hij wist dat er een nieuwe oorlog aankwam en hij zei het ook.  "Winnen is niet beter dan verliezen.  Het enige wat je kan doen is proberen te overleven," vertelde hij.  Deze vaststelling vatte al zijn gevoelens samen.  Ik was nog erg jong toen hij mij dit de eerste keer zei, maar hij vroeg mij dit te onthouden.
Ik wist niet wat te denken.  Ik vroeg mijn vader : "Is mijn leerkracht dan fout ?"
Hij antwoordde : "Je hoeft je leerkracht niet in vraag te stellen, want ze vertelt waarin ze gelooft.  Luister naar wat ze vertelt maar onthou dat niet iedereen in dezelfde dingen gelooft."  Mijn vader herhaalde dikwijls dat mensen niet in dezelfde zaken geloven maar dat ik dit moest aanvaarden.  "Laat iedereen zijn mening hebben.  Er is geen enkele reden om een afkeer te hebben voor mensen die anders denken."

 

Met dank aan Bill Siebert voor de bereidwilligheid waarmee hij dit getuigenis ter beschikking stelde voor gebruik in het project 'Als je vanzelevens door de Westhoek passeert ...'

© 1998 - Bill Siebert
Deze getuigenis mag niet zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Bill Siebert gebruikt worden.