Klik op een naam bovenaan en de tekst zal hier verschijnen.

VEEL LEESPLEZIER !!!

 

 

 

1. Jan en Nele maken samen een sneeuwpop.
2. Jan zet de hoed op en die is klaar.
3. Ze vinden hem heel mooi.
4. Jan schrikt en Nele lacht.

 

 

1. Bart en Brenda maken een sneeuwman.
2. Bart zet een hoed op de sneeuwman.
3. Het is af en Bart smijt een sneeuwbal naar het hoofd.
4. O nee, de hoed valt van de sneeuwman.

 

 

1. Jan en Lies maken een mooie sneeuwman.
2. De sneeuwman had het koud.
3. De sneeuwman is mooi en groot.
4. Lies is net ook een sneeuwman. Leuk hé, sneeuwman spelen!

 

 

 

 

1. An en Jan maken een sneeuwman.
2. De sneeuwman is heel groot. Jan heeft moeite om de hoed er op te zetten.
3. Jan werpt één sneeuwbal naar de hoed. Jan mist de hoed.
4. An werpt ook één sneeuwbal. Ze raakt de hoed. An is heel tevreden.

 

 

1. Jan en Sanne maken een sneeuwman. Het is echte sneeuwpret.
2. Jan geeft de sneeuwman een hoed. Hij kan er bijna niet aan.
3. Jan smijt een sneeuwbal tegen de man. Sanne vindt het grappig.
4. Jan schrikt erom. Sanne lacht erom.

 

 

 

 

1. Jan en Leen spelen in de sneeuw.
2. Jan die zet een hoed op.
3. Nu is hij klaar, zegt Leen. Ja, zegt Jan.
4. Maar de hoed valt af. Dat komt door de wind, zegt Jan.

 

 

 

1. Jan en Griet maken een sneeuwman.
2. Jan zet een hoed op de sneeuwman.
3. Jan gooit een sneeuwbal naast de sneeuwman.
4. Griet gooit nu een sneeuwbal. "Oei!" zegt Griet.

 

 

 

1. Jan en Jasper maken samen een sneeuwman.
2. Hij heeft nu een hoed.
3. En nu een dik oor.
4. Joepie! Hij is klaar.

 

 

 

 

1. Jan en Lies maken een mooie sneeuwpop.
2. Jan zet een zwarte hoed op de sneeuwpop.
3. Jan gooit een bal naar de sneeuwpop.
4. Lies gooit ook een keer en de hoed van de sneeuwpop valt af.

 

 

 

1. Jan en Lies zijn in de tuin en ze maken samen een sneeuwman. Ze noemen hem Piet.
2. Jan zet een hoed op Piet.
3. Ze zijn aan het gooien. Jan werpt naar zijn oog.
4. En Lies werpt verder dan Jan. Oei, de hoed valt ook nog af.

 

 

 

 

1. Marijke is een sneeuwman aan het maken. Lies had het gezien.
2. Marijke zette nog een hoed erbij.
3. Lies smeet een sneeuwbal tegen de sneeuwman. Marijke kon er nog mee lachen.
4. En dan smeet ze nog één, dat had Marijke niet graag.

 

 

 

1. Tom en Lies maken een sneeuwpop. Ze hebben geluk dat het sneeuwt.
2. De sneeuwpop is bijna klaar.
3. Ze gooien nu met sneeuwballen.
4. Nu is er iets mis gelopen...

 

 

 

1. Els en Ronny maken een mooie sneeuwman.
2. Ronny zet de hoed op de sneeuwman.
3. Els en Ronny kijken naar de sneeuwman en geven hem een hand.
4. Ronny ziet verbaasd en Els moet lachen.