ENKELE ASPECTEN OMTRENT
DE WEDEROPBOUW VAN SINT-JULIAAN

Inleiding

Zoals bij andere dorpen in de frontstreek is er eind 1918 niets dat eraan herinnert dat er ooit zoïets als de parochie Sint-Juliaan bestaan heeft. Omdat Sint-Juliaan gedurende vier jaar pal tegen het front of in Niemandsland ligt, staat er geen steen nog op de ander. Het duurt dan ook iets langer voor de eerste vluchtelingen terugkeren naar hun geboortegrond, toch in vergelijking met de plaatsen die een beetje verder van het front verwijderd zijn.

Symptomatisch is het verhaal van de familie Blomme, die voor de oorlog café Het Witte Paard runde tegenover de kerk. Zoals zovelen, is het gezin Blomme in het begin van de oorlog gevlucht naar Frankrijk. De oorlogsjaren brengt het door in het Normandische plaatsje Notre-Dame-du-Touchet. Na de oorlog gaat vader Blomme op reis om te zien hoe het met zijn parochie gesteld is. Hij keert terug met de mededeling dat hij zelfs zijn eigen huis niet kon vinden. Tot opluchting van de rest van de familie, die het in Frankrijk naar de zin heeft, wordt de terugkeer verdaagd. De Blommes zouden ten slotte pas in 1921 naar Sint-Juliaan terugkeren en het café heropbouwen.

Bij de terugkeer wordt er gewoond zo goed en zo kwaad als het gaat: men bouwt een voorlopig onderkomen met brokstukken uit het puin of men woont in een verlaten militaire schuilplaats (bunkers). Het Koning Albert Fonds verschaft barakken van eigen makelij (K.A.F.-barakken) en Nissen Huts. Dat zijn barakken van het Britse leger met een stenen onderbouw en een gebogen dak van gegolfd plaatijzer. Het Koning Albert Fonds slaagt er echter niet in in alle noden te voorzien. Vele bewoners moeten zich behelpen met zelfbouw-barakken, waarvoor ze dan de nodige bouwmaterialen krijgen.

Hoewel de Belgische regering een hele reeks institutionele maatregelen neemt, komt de eigenlijke wederopbouw maar niet van de grond. De staat probeert de wederopbouw te stimuleren door voorschotten op de oorlogsschade aan de eigenaars toe te kennen, maar treedt ook vaak zelf als bouwheer op. Door de veelheid aan systemen kan de ‘geteisterde’ op den duur niet meer klaar zien. Een centrale rol in de wederopbouw speelt de Dienst der Verwoeste Gewesten. Via deze dienst kan de staat als bouwheer optreden. Dat is ook in Sint-Juliaan verschillende keren gebeurd.

 

De pastorie

Bijzonder boeiend en exemplarisch voor een deel van de problemen waarmee men tijdens de wederopbouw mee te kampen heeft, is het dossier van de pastorie van Sint-Juliaan. Het loont de moeite de chronologie van de wederopbouw van de pastorie van Sint-Juliaan eens overzichtelijk te presenteren:

 

31 augustus 1921.

De rechtbank voor oorlogsschade stelt vast hoe hoog de vergoeding voor oorlogsschade is voor de roerende goederen in eigendom van de kerkfabriek van Sint-Juliaan. Tegelijk bepaalt het vonnis de waarde die de eigendommen van de kerkfabriek (kerk en pastorie) hadden in 1914. De vergoeding voor oorlogsschade wordt bepaald door de waarde van het goed in 1914 vermenigvuldigd met een coëfficient voor de meerwaarde die het goed zou verkregen hebben sinds 1914.

 

10 oktober 1921

Op die dag vraagt de Koninklijk Hoog Commissaris De Groote – dat is de man die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de wederopbouw in de streek van Ieper- aan het gemeentebestuur van Langemark om op te treden in plaats van de kerkfabriek. Waarom dit zo is, hebben we het gissen naar: zijn de meeste leden van de kerkfabriek nog niet uit vluchtelingsschap teruggekeerd, of is er nog geen nieuwe kerkfabriek samengesteld?

De Kon. Hoog Commissaris stelt voor om architect Huib Hoste te vragen de ontwerpen voor de kerk en de pastorie te maken. Huib Hoste is op dat ogenblik Belgiës meest vooruitstrevende architect. In Zonnebeke realiseert hij in 1921-1923 de eerste moderne kerk van ons land. In Sint-Juliaan zou het zo ver niet komen.

 

13 oktober 1922

Ruim een jaar later, op 13 oktober 1922 vraagt Cotteau de Patin, burgemeester van Langemark, in een brief aan dezelfde Kon. Hoog Commissaris wat hij moet doen: de pastoor van Sint-Juliaan zou graag een pastorie krijgen die veel mooier is dan voor de oorlog, "De pastorij was voor den oorlog maar geheel kaal". Omdat de regeling voor oorlogsschade zo in elkaar zit, dat de eigenaars enkel recht hebben op de waarde van hun eigendom in 1914 vermenigvuldigd met een coëfficient die staat voor de waardevermeerdering sinds dat jaar, vreest de burgemeester dat er zal moeten bijgepast worden uit de gemeentekas.

 

22 november 1922

De Koninklijk Hoog Commissaris antwoordt: "Als men een betere of grotere woning wenst dan die voor de oorlog, dan vallen de meerdere kosten natuurlijk ten laste van de gemeente."

 

4 januari 1923

Blijkbaar omdat er geen schot in de zaak komt, vraagt Kon. Hoog Commissaris De Groote of de kerkfabriek nog recht heeft op andere vergoedingen voor oorlogsschade. Die kunnen dan eventueel bij de vergoeding voor de pastorie gevoegd worden om die her op te bouwen.

 

1 maart 1923

De kerkfabriek, bij monde van voorzitter Aloïs Debeir en secretaris Arsène Marant, sluiten een overeenkomst met de Dienst der Verwoeste Gewesten. De staat neemt de bouw van de pastorie op zich. Als architect stelt de kerkfabriek Jules Coomans voor en de Dienst gaat daarmee akkoord. Een grote verschil met de eerder voorgestelde architect Hoste is niet mogelijk: de Ieperse stadsarchitect Coomans bevindt zich met zijn neogotiek zowat aan de andere zijde van het architecturale spectrum in vergelijking met de modernist Hoste. Waren de leden van de kerkfabriek van Sint-Juliaan misschien geschrokken van de moderne vormen die de kerk van het naburige Zonnebeke aannam? Het is tevens tekenend voor de workaholic Coomans dat hij in de drukste jaren van de wederopbouw, naast zijn veeleisende taak in de stad Ieper, ook nog de plannen tekent voor de pastorie en de kerk van een plattelandsgehucht.

 

24 maart 1923

Het middel om een pastorie met meer allure te bekomen is gevonden: het gemeentebestuur verklaart dat het vijf arbeidershuisjes, op de hoek van de Langemarkstraat en het ‘Doodemannestraatje’ en eigendom van de gemeente, niet wenst her op te bouwen omwille van "gezondheidsredenen". Het recht op oorlogsschade van deze vijf huisjes kan dan bij dat van de pastorie gevoegd worden om zo een grotere en mooiere nieuwe pastorie te bouwen.

 

27 december 1923

De Rechtbank voor Oorlogsschade geeft aan de geteisterde kerkfabriek van Sint-Juliaan de toelating om de vergoedingen voor vijf werkmanswoonsten en een kapelletje te voegen bij de vergoeding voor de vernietiging van pastorie en onderpastorie, om zo het heroprichten van pastorie en onderpastorie toe te laten.

 

Begin februari 1924

Omdat Sint-Juliaan voor de oorlog geen onderpastorie bezat, gaat staatscommissaris Schoofs in beroep tegen dit vonnis van de Rechtbank voor Oorlogsschade. Daarom past de rechtbank haar vonnis aan: de vergoedingen waarvan spraak in haar vonnis van 27/12/1923 zullen gebruikt worden voor het heropbouwen van de pastorie alleen.

 

17 februari 1924

Pastoor De Baene vraagt in naam van de kerkfabriek om nog 300 frank (waarde 1914) toe te voegen aan de vergoeding voor oorlogsschade voor een "kolen- en kiekenkot", hetgeen momenteel niet voorzien is. Hij is daarop attent gemaakt door architect Coomans.

 

26 juni 1924

Architect Jules Coomans dient de plans en het bijzonder lastkohier 1097R (het bestek) in bij de Dienst der Verwoeste Gewesten. De aanbesteding wordt gepland voor 6 augustus 1924.

 

27 juni 1924

De Dienst der Verwoeste Gewesten laat Coomans weten dat de plans en het bestek voor de pastorie van Sint-Juliaan, die hij een dag eerder ingediend heeft, ofwel in het Nederlands moeten opgesteld zijn, ofwel in de beide landstalen, willen zij conform de nieuwe taalwetten zijn. Coomans had de documenten alleen in het Frans ingediend.

 

14 juli 1924

Pastoor De Baene stuurt een kaartje naar toegevoegd commissaris Callebert. Daarin schrijft hij dat hij van de minister een brief heeft gehad dat de werken aan de pastorie direct mogen beginnen. Hij vraagt dan ook aan de commissaris om het personeel aan te sporen.

 

6 augustus 1924

Openbare aanbesteding van de bouw van de pastorie. In het bestek wordt bepaald dat de werken moeten voltooid zijn binnen 200 dagen. De bakstenen zijn "van de staat" en komen uit Sint-Joris (bij Nieuwpoort) Zo’n 80 % van deze gele bakstenen is goed. Aannemer Camiel Deveeuw uit Passendale is de goedkoopste en mag de werken uitvoeren.

 

3 september 1924

De Dienst der Verwoeste Gewesten keurt de aanbesteding goed.

 

24 september 1924

Tot wanhoop van de pastoor, zijn de werken nog altijd niet begonnen. Aannemer Camiel Deveeuw schrijft dat hij wel wil beginnen maar dat de bakstenen niet ter plaatse geraken. Een deel van de vertraging is te wijten aan een fout in het bestek, zo wijst een klein onderzoekje uit: er staat dat de brieken « per wagon » geleverd worden, terwijl het zou moeten zijn : « per wagen ».

 

30 september 1924

De werken zijn nog altijd niet begonnen, zo wijst inspectie van de Dienst der Verwoeste Gewesten uit.

 

28 oktober 1924

De aannemer ontvangt eindelijk de eerste lading bakstenen. De bouw van de pastorie kan beginnen.

 

16 januari 1925

Architect Jules Coomans klaagt in een brief dat de kwaliteit van de bakstenen « van de staat » ondermaats is en dat er nog steeds veel te kort zijn. Volgens het antwoord van de Dienst der Verwoeste Gewesten zijn er problemen met de « staatsstatie » in Nieuwpoort, waardoor de brieken met de tram verzonden moeten worden.

 

23 juli 1925

Voorlopige oplevering van de pastorie. Er worden echter nog veel tekortkomingen vastgesteld en de aannemer heeft nog heel wat werk voor de boeg.

 

Augustus 1925

In een brief aan de Dienst der Verwoeste Gewesten verdedigt aannemer Camiel Deveeuw zich tegen de beschuldiging dat hij de werken laat aanslepen. « Den tijd van aanvangen der werken was gesteld op den 1e oktober, maar ik heb den eerste wagon steenen maar den 28ste ontvangen. Ik heb er dan 3 of 4 wagons gekregen en wederom geen meer tot op einde november en dan zijn ze regelmatig voorgekomen. De schuld daarvan was dat M. Moreels bestuurder gemeentemagazijn Dixmude geen wagons kon verkrijgen omdat zij bestemd waren tot het vervoer van beteraven. » Om die reden vraagt de aannemer om hem welwillend wat uitstel toe te staan.

 

10 augustus 1925

Dat het werk niet vordert, is een doorn in het oog van pastoor De Baene. Hij schrijft opnieuw een brief naar de Dienst der Verwoeste Gewesten waarin hij klaagt dat de aannemer sinds de voorlopige oplevering niets meer gedaan heeft. Hij dringt erop aan dat de Dienst de aannemer hierover vermaant. Ook architect Coomans werd hierover al door de pastoor aangesproken.

 

15 augustus 1925

Pastoor De Baene verhuist naar de (onafgewerkte) pastorie.

 

31 december 1925

Na amper een half jaar in zijn nieuwe woonst, heeft pastoor De Baene al heel wat klachten : « Het dak der nieuwe pastorij van Sint-Julien is erg beschadigd, veel loodbladen zijn afgerukt van het veurst, en schaliën zijn afgevallen. Er komt altijd voort water in den kelder, en met den laatsten storm nogal veel water ». Opnieuw vraagt de pastoor om de aannemer te vermanen.

 

15 februari 1926

Na bezoek van een inspecteur van de Dienst der Verwoeste Gewesten wordt aannemer Deveeuw berispt en aangemaand zijn werk in orde te doen.

 

31 maart 1926

Om 10 uur 30 wordt de pastorie opgeleverd.

 

9 augustus 1926

Voor een laatste maal zien we de pastoor in de pen kruipen. Opnieuw vraagt hij de Dienst er Verwoeste Gewesten om de aannemer aan te manen. De plankenvloeren op de verdiepingen moeten namelijk nog in orde gedaan worden.

 

 

De kerk

Ook voor de heropbouw van de kerk van Sint-Juliaan doet de kerkfabriek een beroep op de Ieperse stadsarchitect Jules Coomans. Na de openbare aanbesteding op 12 februari 1925 wordt de uitvoering van het werk toegewezen aan de Brugse aannemer Firmin Liebaert. Ook hij krijgt de bakstenen ‘van de staat’, in dit geval uit de steenovens van de Dienst der Verwoeste Gewesten in Snaaskerke. Hoewel er veel minder problemen zijn dan met de bouw van de pastorie, heeft de pastoor ook hier klachten over het werk van de aannemer. Op 27 mei 1925 klaagt hij aan dat de voegen tussen de stenen veel te dik zijn – sommige zijn 2,5 tot 3 centimeter dik- en dat de verschillende bouwlagen niet regelmatig en waterpas zijn. Uiteindelijk wordt de kerk opgeleverd op 21 oktober 1926. De oorspronkelijke uitvoeringstermijn van 250 dagen was verlengd geworden vanwege de slechte weersomstandigheden.

 

De jongensschool

De voormalige gemeentelijke jongensschool, die afgebroken is in de jaren 1970, wordt ontworpen door het architectenbureau Renders & Steels, die zich gevestigd hebben in Langemark en later verhuizen naar Brussel. Aannemer is Romain L’Ecluse uit Sint-Jans-Molenbeek. De aanbesteding gebeurt op 27 augustus 1924. Ook hier zijn de moeilijkheden tijdens de heropbouw niet uit de lucht: opnieuw lopen de werken aanzienlijke vertragingen op. Oorspronkelijk moet de bouw aanvangen op 15 oktober 1924. Omdat de plaats waar de school moet komen, vol met barakken staat, wordt dat maart 1925. Ook dan kan er nog niet ten volle doorgewerkt worden want de barakken van de voorlopige kerk en de scholen staan er nog. Op de koop toe ontstaat er een zware ruzie tussen aannemer L’Ecluse en het architectenbureau Renders & Steels, waarbij deze laatsten weigeren de betalingsaanvragen van de aannemer te ondertekenen. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat de school pas klaar is in maart 1928.

 

De Roeselarestraat

De wederopbouw behelst naast het heropbouwen van huizen en openbare gebouwen, ook de terugkeer van de vluchtelingen en het her-organiseren van de dorpsgemeenschap. Ook de aanleg van wegen en andere publieke nutsvoorzieningen wordt wel eens over het hoofd gezien.

Een affaire die in de pers van 1926 wat stof heeft doen opwaaien is de toestand van de Roeselarestraat van ’t Wieltje tot aan ’s Graventafel, dus grosso modo op het grondgebied van Sint-Juliaan. De weg was voor de oorlog grotendeels geplaveid. Na de oorlog wordt het stuk in Ieper opnieuw met kasseien belegd, zij het dat er grote putten blijven. Van het stuk in Langemark schrijft het blad De Westvlaming, spreekbuis voor de Vlaams-nationale partijen in West-Vlaanderen: "Geen mensch of dier dat erdoor kan".

Het is zo dat deze weg tijdens de oorlog met planken en balken verstevigd was geworden. Daardoor krijgt het van de bevolking de naam ‘plankenroute’. Tijdens de terugkeer worden alle bruikbare materialen van deze plankenroute gerecupereerd. Alleen de zwaarste balken blijven liggen en versperren sindsdien de doorgang. De pers klaagt aan dat de kinderen van Sint-Juliaan en omgeving dagdagelijks naar school moeten door deze zee van modder en drab. Ook, zo benadrukken de media, is die toestand absoluut nefast voor het imago van de Belgen ten opzichte van de vele toeristen die langs deze weg naar Tyne Cot Cemetery of het monument van ’s Graventafel willen begeven.

Waarom was deze weg ‘vergeten’? De Roeselarestraat loopt aan de rand van de gemeenten Langemark en Zonnebeke. Beide gemeenten hebben een erg uitgebreid net gemeentewegen te onderhouden, maar de Roeselarestraat heeft voor hen eigenlijk weinig belang aangezien de weg vooral dient als verbinding tussen Ieper en Roeselare. Er wordt in 1925 aan gedacht de Roeselarestraat van een macadam te voorzien, maar de grond is er te drassig voor een macadam. De kosten voor het aanleggen van een kasseiweg kunnen onmogelijk gedragen worden door deze twee plattelandsgemeenten. Daarom gaat de overheid akkoord om de straat op haar kosten her aan te leggen. Bezuinigingen gooien echter roet in het eten.

Deze toestand beroert begin 1926 de Westvlaamse pers. De Westvlaming schrijft: "Wij zien neer met innig medelijden op onze zoo diep beproefde bevolking der frontstreek, die als echte dompelaars daar sedert zeven jaren levend begraven zitten en dat zo geen greintje hoop te bespaaren valt." De Poperinghenaar toont twee foto’s van de weg. Het onderschrift van één van de foto’s luidt: "Een groote oorlogsverminkte, met zijn gespan aan ’t worstelen in die zee van water en modder der Rousselarestrate." En ’t Ypersche, het blad van de geteisterden uit het arrondissement Ieper, klaagt zwaar aan dat kasseistenen uit Duitsland, die als herstelbetaling geleverd waren, gebruikt worden voor wegen in het Brugse en in Oost-Vlaanderen, terwijl er hier zo’n erbarmelijke toestand heerst.

Blijkbaar heeft de perscampagne succes gehad, want in mei 1926 nemen de werken aan de Roeselarestraat een aanvang, onder leiding van aannemer Henri Mahieu uit Ieper. De wegenwerken zijn pas ten einde in augustus 1929. Bij de aanleg worden inderdaad ook een grote partij Duitse kasseistenen gebruikt.

 

 Besluit

Het lijkt er sterk op dat de wederopbouw van Sint-Juliaan, althans voor wat betreft de openbare gebouwen en de nutsvoorzieningen, vrij laat op gang gekomen is. Terwijl naburige frontgemeenten zoals Zonnebeke al een kerk hebben in 1923-1924, moeten we daarvoor in Sint-Juliaan een paar jaar langer wachten. Ook het geval van de Roeselarestraat en het dossier van de pastorie wijst op allesbehalve een vlotte wederopbouw van de parochie.

 

Bronnen

Voor dit artikel werd een beroep gedaan op mondelinge bronnen en op het Alegemeen Rijksarchief in Brussel, Dienst der Verwoeste Gewesten, archiefnummers 5069, 5070, 5193, 5194, 9017 en 13625. Dit laatste archiefnummer bevat krantenknipsels uit De Westvlaming, De Poperinghenaar en ’t Ypersche van januari-april 1926.

 

Dominiek Dendooven (In Flanders Fields Museum), m.m.v. Robert Missinne

 

 

Algemene
startpagina