| Boekenlijst | Gedichten over pesten | Geluksvogel | Getuigenissen |
| Pest-Test | Tips bij pesten | Vooroordelen | Een verslagje |
| Goed om weten | Print de pest-test |
Vorig schooljaar werkten we in onze school een project uit rond pesten. Hieronder vind je heel veel informatie over pesten. Neem maar eens een kijkje en denk zelf eens goed na of je hieraan soms niet zelf meedoet.
Mag ik even?
Een speciale krant over pesten. Om jullie te pesten? Tuurlijk niet.
Maar omdat we vinden dat er over gepraat moet worden. Als het inderdaad juist is dat het pesten in de scholen toeneemt, dan is het tijd. Tijd om er iets aan te doen. Door er over te praten. Dat is een goed begin. Maar praten alleen zal natuurlijk niet helpen.
Wat dan wel? Dat is een m
oeilijke
vraag. Misschien moeten we verhalen vertellen. Mooie verhalen. Misschien helpt
dat tegen pesten. Schone dingen laten zien of horen, helpt tegen veel. Wie naar
iets moois kijkt of luistert, heeft helemaal geen zin meer in pesten. Misschien
helpt het: het hoofd van een pester (een pest-kop) volstoppen met mooie dingen
…
We willen er iets tegen doen door enkele pesterijen op video te tonen. Zo hopen we
dat de pesters zullen voelen hoe erg het wel is gepest te worden. En dat ze het niet meer zullen doen. We proberen het probleem met een tentoonstelling en allerlei lessen over pesten aan te pakken. Een tentoonstelling met getuigenissen van pesters en gepesten. Daarmee willen we de ogen openen. De ogen en de hersenen. Want wie de tentoonstelling zag, kan nooit meer zeggen dat hij het niet wist. Over al deze dingen gaat het in deze pestkrant.
Wapen
Het
grootste wapen
is
je mond,
Hier
kun je alles
stuk
mee maken.
Het
snelste wapen
is
je mond;
met
woorden
kun
je feilloos raken.
Maar
nog sneller dan ’t geluid,
is
de snelheid van het licht.
Als
blikken konden doden,
deed
je gauw je ogen dicht.
Pestkop
Sommige
dagen wil ik pesten,
zomaar,
‘k weet zelf niet waarom.
Liefst
die kleine met haar vlechten
of
Toon die niet goed leren kan.
Als
ik me rot voel ga ik pesten,
in
schelden ben ik dan heel goed.
Domkop,
kleine schele, stinkerd …
Hé,
je moeder heeft rood haar.
Sommige
dagen ga ik pesten,
dan
ben IK bij ’t spel de baas.
Ik
beslis wie niet mag meedoen,
da’s
dan pech, voor hem of haar.
Als
‘k me rot voel ga ik pesten,
maar
wie heeft daar dan wat aan.
Wie
voelt zich nadien het slechtst?
Jij
of ik? Vraag ik me af.
Pesten, pesten het is niet fijn.
Nooit gepest worden, dat zou leuk zijn.
Zelf pesten is ook niet goed.
Doe hoe het moet !
Pest niemand,
dan is het goed.
Af
en toe geplaagd worden, daar moet je tegen kunnen.
Je hebt plagen en pesten. Het verschil daartussen is groot. Kinderen die elkaar plagen, kunnen elkaar aan. Nu eens plaagt de één, dan weer de ander. Een geplaagd kind kan terugplagen. En na een tijdje maken ze het samen weer goed. Je kunt elkaar ook plagen voor de gein. Zo’n lolletje kan verkeerd vallen, maar echt verschrikkelijk is plagen niet. Je hebt zelfs leuke en vriendelijke plagerijtjes. Tegen af en toe geplaagd worden, moet je kunnen.

Bij pesten is het anders. Als er gepest wordt is het ene
kind altijd sterker dan het andere. Het ene kind heeft grotere spierballen, een grotere mond, meer invloed. De één wint dus altijd en de ander is altijd de verliezer. Pesten gebeurt nooit zomaar eens één keertje. Een kind dat gepest wordt, is steeds het mikpunt. Daarom is pesten nooit leuk; pesten is altijd gemeen.
Pesten komt veel voor. Een van de zes kinderen op
de basisschool wordt wel eens gepest. Dat vertellen ze zelf aan mensen die er onderzoek naar hebben gedaan. Als jij wordt gepest, ben je dus niet de enige. Al lijkt dat soms wel zo. Natuurlijk is het niet normaal dat er zoveel wordt gepest. Pesten is verschrikkelijk en er moet zo gauw mogelijk iets tegen gedaan worden.
Een kind dat pest kan duwen, aan haren trekken of knijpen. Sommige pestkoppen spugen en slaan en schoppen. Maar ook op andere manieren kunnen pesters iemand het leven zuur maken. Bijvoorbeeld door een kind vaak uit te schelden of uit te lachen of hun mooiste spulletjes kapot te maken. Door gemene dingen te zeggen. Of ervoor te zorgen dat een kind nooit mee mag doen in de groep. Zonder iemand ook maar met één vinger aan te raken, kunnen pestkoppen verschrikkelijk vals zijn.
Een bril? Rood haar en sproeten? Een beugel? Zou je daarom worden gepest? Soms lijkt dat de reden.
Maar de meeste kinderen die worden gepest, hebben geen rood haar. En het komt ook voor dat juist kinderen met een beugel grote pestkoppen zijn. Je hoeft er niets speciaals voor te doen. Je kunt bijvoorbeeld worden gepest als je te slim bent. Of als je juist niet zo slim bent. Ze pesten je om je dure of juist om je goedkope kleren. Als je dan reageert door te huilen, hard weg te hollen, driftig te worden, hebben ze hun zin. “Dat is leuk, die blijven we pesten”. De pestkoppen vinden dat je niet past bij de rest van de groep en daarop proberen ze je te pakken.
Als je anders bent dan de anderen, val je op en dat kan een aanleiding zijn om je te pesten. En ieder kind is een beetje anders dan anderen. Dus als je in een groep zit waar pestkoppen de kans krijgen om de baas te spelen, kan het gebeuren dat ook jij gepest wordt.
Als je wordt gepest, denk je misschien dat het nooit op zal houden. Het is ook niet gemakkelijk om pesten te stoppen, maar het kan wel. Maar jij kunt dat niet in je eentje. Anderen moeten je daarbij helpen. Hier vind je een aantal tips op een rijtje. Er zit vast wel een goed idee bij dat jij kunt gebruiken.
·
Misschien wil je het liefst dat
stomme gepest vergeten, er niet meer aan denken en er niet over praten. Dat is
wel logisch, maar als jij niets vertelt, zal het pesten ook nooit ophouden.
· Lucht je hart bij iemand die je aardig vindt. Je kunt eventueel zeggen dat die het (nog) aan niemand mag doorvertellen. Je zult merken wat een opluchting het is dat je het aan iemand hebt verteld, ook al is er niet meteen een oplossing.
·
Probeer erover te praten met iemand
van jouw leeftijd.
Misschien heb je een vriend of een vriendin die snapt hoe rot het voor je is. Of
misschien krijg je zo’n vriend of vriendin.
· Probeer erover te praten met een volwassene die je zelf uitkiest: je eigen meester, de juf die je vorig jaar had, je vader of je moeder, je lievelings-oma. Sommige volwassenen zijn vroeger ook gepest. Die snappen het goed en ze weten misschien iets wat je ertegen kunt doen.
· Sommige kinderen willen liever niet dat hun ouders er zich mee bemoeien. Daarom praten ze er niet met hun ouders over. Dat hoeft ook niet meteen, maar een keer zul je het toch aan je ouders moeten vertellen. Want ook zij moeten meehelpen om dat pesten te stoppen. Misschien hebben zij wel goede ideeën.
· Als je nog niemand hebt gevonden, zeg het dan bijvoorbeeld aan je knuffel. Aan de kat of aan de cavia. Dat klinkt misschien kinderachtig maar dat is
het niet.
· Soms kan het helpen om voor jezelf wat op te schrijven in een dagboek of in zomaar een schriftje. Als je een opstel voor school moet schrijven kan het bijvoorbeeld over pesten gaan.
|
1. Ik
vind pesten…. |
2.
Als ik het slachtoffer van
pesterijen zou worden, dan zou ik o …mijn ouders inlichten. (32)
o
…mijn makkers tot andere
gevoelens brengen door
ze om te kopen: snoep geven, schriften invullen, ‘vuile’ karweitjes
opknappen (14) o
…de pester op mijn manier
treiteren, door te klikken bijvoorbeeld. (8) o …hulp vragen aan de leerkracht. 25) |
|
|
3. Een
pester die iemand pest o
…ga je
helpen door mee te pesten. (4) o
…geef je een slag in zijn maag zodat hij ophoudt.
o
…vind je een zielig type. (30) o …is een sukkelaar. |
4.
Wie anderen pest… o …doet dat om humor te verkopen. (15) o …is de meest geliefde leerling van de klas. (4) o …doet dat omdat hij of zij zich sterker voelt. (14) |
|
|
5. Geert
en Tanja pesten Frederik omdat ze hem meisjesachtig vinden. Hij durft
niets en is gauw bang. Alleen Joppe is zijn vriend. Hij merkt dat Geert en
Tanja Frederik weer aan het pesten zijn. Als jij Joppe was, hoe zou je dat
oplossen? o
…Je geeft Frederik een schouderklopje en zegt hem dat het allemaal wel
over gaat.(18) o
…Je scheldt Frederik uit omdat hij zich niet verdedigt. Je spot met hem
en raadt hem aan een cursus zelfverdediging bij de plaatselijke
kleutergroep te volgen. (5) o
…Je laat Tania en Geert duidelijk merken dat ze te ver gaan en dat het
nu eindelijk eens moet ophouden. (40) o
…Je neemt Frederik onder de arm en gaat samen een knap spel spelen,
zonder verder aandacht aan de pesters te besteden. (22) |
6.
Pesten met woorden vind je … o …geen echte vorm van pesten. (16) o …de moeite niet waard om aandacht aan te besteden. (10) o …een duidelijke en ergerlijke manier van pesten. (35) |
|
|
7. Wie
gepest wordt … o
…His een zacht gekookt eitje; het wordt later wel hard. (24) o
…moet geduld hebben; het gaat vanzelf wel over. (14) o
…lokt het zelf uit. (10) o
…heeft pech: de pesterijen berusten op jaloersheid of toeval. (40) |
8.
Pesten wordt bevorderd als … o …de leider van de klas of de groep geen zin heeft in
verfijnde omgangsvormen. (25) o …de groep vol zwakkelingen zit. (8) o …er op school een sfeer heerst waarbij iedereen zich
achter iedereen kan verstoppen. (37) |
|
|
9. Klasgenoten
laten pesten toe, omdat ze . o
…anders riskeren zelf gepest te worden.(15) o
…denken : pesten is een onvermijdelijk natuurverschijnsel. (20) o
…tegen pesters niet kunnen optornen. (23) o
…jij laat pesten nooit toe, onder geen enkele voorwaarde. (37) |
10.
Een goede reactie van de
leerkracht of begeleider op pesten is … o …een klasgesprek of groepsgesprek. (41) o …straf aan de pesters geven. (16) o …niet reageren; het gaat wel over. (8) o …naar de ouders of de directie stappen. (30) |
|
-
Na
jaren van pesterijen ging Andy in therapie in het Centrum voor Geestelijke
Gezondheid
en Gezinsproblemen in het naburige provinciestadje. Zijn ouders
en
jongere broer werden verzocht een aantal keren mee te komen. Na enkele
gesprekken
begrepen Andy’s ouders dat zij hun jongens wat te zacht hadden
opgevoed.
In de opvoeding thuis lag de klemtoon op beleefdheid en voorkomen-
heid.
Problemen werden steeds op een rustige manier uitgepraat. Ruzies en geweld
hoorden niet thuis in hun gezin. Vandaar dat Andy en William volkomen uit hun
evenwicht geraakten telkens ze zich met agressief gedrag van anderen
geconfronteerd zagen. Andy had dit aan den lijve moeten ondervinden.
Dat
pestkoppen heel ver durven gaan als je je laat doen, bewezen de twintig
striemen
op zijn rug. Zijn mama had ze toevallig opgemerkt , toen hij zich douchte.
Hij
was te beschaamd geweest om dit aan iemand te vertellen , zelfs aan zijn
Karolien
was op den duur geen moment meer gerust. In de klas , op de speelplaats,
in
de gang , in de kleedkamer, ... overal viel Samantha haar lastig. Of ze stuurde
één
van
die andere pestmeiden op haar af. Elke dag verdween er wel iets. Samantha wist
hoe
bezorgd Karolien was voor al haar spullen. Haar potloden waren altijd mooi
geslepen
; haar pennenzak tiptop verzorgd
Toen
Karoliens gloednieuwe horloge (ze kreeg hem als communiegeschenk) ondanks
haar
oplettendheid toch na één dag verdwenen was , stapten de ouders naar de
nieuwe
directeur.
Volgens
hem kan je dit niet als diefstal beschouwen. Hij was waarschijnlijk slechts
even
‘geleend’ , want je weet hoe kinderen zijn. Het was Karolien die met haar
houding
telkens weer om problemen vroeg. Zij was het probleem en daar had de
school
niets meer mee te maken. “Op onze
school wordt niet gepest . Da’s iets
voor slechte scholen . Wij zijn een
school met goede faam ! “
Bij mij
in de klas zit een meisje en dat
is een
echte pestkop, een echt treiter-
hoofd.
Ze kan heel geniepig doen.
Het
lijkt nou alsof ik roddel , maar
het is
echt waar. Eén meisje is
vooral
altijd het slachtoffer.
Haar
fiets heeft opeens lekke banden
of er
staan krassen in haar schrift.
Dat
treiterhoofd heeft een kliekje
vriendinnen
om zich heen. Die doen
ook
allemaal gemeen maar niet zo
erg als
de aanvoerster. Ik vind het erg
maar ik
weet niet wat ik moet doen.
Ik ben
bang dat zij mij ook zal pakken
als ik
er iets van zeg. Ik zou het wel
aan de
meester willen vertellen.
Rachel
( 10 jaar)
Ik mag
nooit meedoen in een groepje.
Als ik
naar een groepje ga , lopen ze
allemaal
weg. En dan sta ik weer alleen.
Bij
gymnastiek word ik als laatste geko-
zen. En
dan willen ze eigenlijk nog niet
dat ik
meedoe , maar ze moeten wel.
Niemand
wil me hebben. Ze maken
geintjes
en die snap ik niet en dan tuin
ik erin.
Ik trap altijd in die flauwekul van
hen.
Maar op de camping heb ik gelukkig
wel
vrienden.
Nikkie ( 9 jaar)
In onze
klas wordt niet gepest.
Behalve
misschien één jongen.
Maar die
vraagt er zelf om!
Hij
durft bijvoorbeeld geen
ballen
te vangen. Hij is zeker
bang dat
zijn bril kapot gaat.
Dus
krijgt hij ballen naar zijn
kop! Hij
heeft ook een stom
rugzakje.
We weten allemaal
dat hij
gaat huilen als het wordt
afgepakt.
Dus wordt zijn rugzakje
afgepakt!
Ik vind het vervelend
voor hem
maar als hij anders zou
zijn ,
zou het niet gebeuren.
Jochem
(12 jaar)
Iemand
een beetje pesten is eigenlijk wel leuk.
Als je
iemand pest , kun je nog een lachen. Vooral
als dat
kind kwaad wordt of gaat huilen. In de
vierde
klas zat een jongen en die werd altijd driftig.
Dat was
pas geinig! Hij ging bijvoorbeeld woedend
met zijn
handen op tafel slaan. Of hij scheurde zijn
eigen
schrift in stukken! En daarvoor kreeg hij
natuurlijk
weer straf. Met die jongen kon je echt
lol
hebben. Hij heette Remco. Maar wij zeiden
altijd
Dombo. Halverwege het vierde schooljaar
is hij
van school gegaan.
Joery (9 jaar)
Omdat
mijn vader ander werk kreeg , zijn
we
verhuisd van een dorp naar een stad.
Ik vind
het vreselijk dat ik op mijn oude
school
weg ben. Mijn vriendinnen zie ik
nooit
meer. Op de nieuwe school moet ik
erg
wennen. En dat lukt niet. De kinderen
vinden
me raar. Misschien omdat ik er
anders
uitzie en anders praat. Ik voel me
verlegen
en zij doen heel erg uit de hoogte.
Ze
vinden me een boerentrien en vragen of
ik thuis
op klompen loop. Ook zeggen ze dat
ik naar
mest stink. Ik smeek mijn ouders of
ik terug
mag naar mijn oude school. Dan moet
ik
iedere dag veertig kilometer fietsen , maar
dat heb
ik er graag voor over.
Nele (10 jaar)
Twee
jaar lang was Johnny , een rustige
jongen
van 13 jaar , een menselijke speel-
bal voor
sommige van zijn klasgenoten.
De
tieners vielen hem lastig voor geld ,
dwongen
hem onkruid te eten en melk
met
waspoeder te drinken, sloegen hem in
elkaar
in de refter en bonden een touw om
zijn
nek, zodat ze hem als een hond uit konden
laten.
Toen de leerkracht de beulen van Johnny
ondervroeg
over het treiteren , zeiden ze dat ze
dat
deden omdat het ‘leuk’ was.
Nick (13 jaar)
Bart (11 jaar) komt uit
school met een vriend. Zijn vader is de auto aan het repareren, de jongens
hebben hem nog niet gezien. Hij hoort ze praten :
Bart
: Dat was lachen , met die slome !
John
: Je had hem mooi te pakken in de gang , hij wist niet meer waar hij het zoeken
moest.
Bart
: Ja , dat deed ik goed , hè
(Hij geeft John een flinke duw)
Heb jij die film
gisteravond gezien ?
John
: Goed hè , hoe die ene ninja er in één keer vijf te pakken had.
Hierna beginnen de twee
jongens te stoeien , waarbij het er niet zachtzinnig aan toe gaat.De vader van
Bart komt onder de auto vandaan. Hij begroet de jongens , die hem pas opmerken
nadat hij op luide toon ‘hallo Bart , hoi John’ heeft gezegd.
Vader
: Hoe was het op school?
Bart
: O , gewoon.
Vader
: Nog iets bijzonders gebeurd?
John
: We hebben gewonnen met voetballen in de pauze.
Bart
: Wij zijn ook veel beter dan die van 5 A. Die beginnen meteen te piepen als ze
een zetje krijgen.
Vader
: Verder nog iets meegemaakt ?
Bart
: Hm. John , kom op , we gaan racen.
Barts vader heeft sterk
de indruk dat de jongens zich op school
regelmatig misdragen en
andere kinderen pesten. Ze doen altijd
erg stoer en ze stralen
een soort onaantastbaarheid uit. Ze praten
vaak neerbuigend over
andere kinderen op school. Hij neemt zich
voor om vanavond als
hij met Bart alleen is , eens over het onder-
werp pesten door te
vragen.
Toen Pelle Jansson in
de pauze naar buiten kwam , had hij het helemaal niet naar zijn zin.
Maar toch werd hij gauw
weer vrolijker. Eigenlijk vond hij zijn school wel fijn. Het was zo’n
mooi nieuw gebouw. En
aan alle kanten van het schoolplein waren kale rotsen , glad en
rond. Daar kon je op
klimmen. De school lag hoog. Je kon ver weg kijken. En je kon de
hijskranen van de haven
zien. En overal stonden bomen met gele en rode en bruine bladeren.
Dat waren dezelfde
kleuren als in de bergen, voordat de sneeuw kwam. En Pelle hield van
kleuren. Felle kleuren.
En van kleurkrijt, waar je enorme schilderijen mee kon maken.
Op dat moment kwamen er
twee jongens uit zijn klas naar hem toe.
“Jij bent stom , “
zei de ene. “Je kan niet eens praten.”
Pelle gaf geen
antwoord. Hij bleef uitkijken over de stad. Hij probeerde alleen maar aan de
huizen en de heuvels
daar ver weg te denken. Huizen en huizen , overal huizen.
“Jij moet op je
donder hebben , “zei de andere jongen.
Pelle wist niet hoe ze
heetten. Hij wist van niemand in de klas een naam. Ja toch , er was
een meisje dat Anne
heette en lang rood haar had.
Pelle dacht aan Anne en
rende een kale rots op om van die jongens weg te komen. Maar ze
holden achter hem aan.
“Maak dat je wegkomt , ga terug naar Lapland,” schreeuwde de ene.
“Geef hem ervan
langs, “ riep de andere en toen schopte de eerste Pelle tegen zijn been.
Het deed niet ze erg
veel pijn en Pelle draaide zich om en gaf hem een duw. Maar toen
sprong de andere hem op
zijn rug.
“Laat me met rust,”
zei Pelle.
De jongens waren alleen
groter en sterker dan Pelle. Dat voelde hij meteen. Hij keek vlug
om zich heen. Er waren
overal kinderen. Het leek wel of er minstens duizend jongens en
meisjes waren. Kleine
en grote. Sommigen waren aan het ballen en anderen aan het
bokspringen of ze aten
een appel of ze stonden in een stripblad te lezen of ze maakten ruzie
of ze lachten. Er was
niemand die zich iets van Pelle en de twee jongens uit zijn klas
aantrok.
“Laat me met
rust, “ zei Pelle zacht.
“Moet je niet weer
gaan huilen? “zei de eerste jongen hatelijk. Pelle gaf geen antwoord. Hij
bleef heel stil staan
en het was net of hij wegkroop in zichzelf. Als een jonge vos kroop hij
in elkaar , helemaal
diep in zichzelf.
“Je kan niet eens
Zweeds praten ,” zei de andere net zo hatelijk.
Maar dat kon Pelle
niets schelen. Ze zouden op hem schelden en misschien zouden ze hem
slaan. Maar ze konden
toch niet bij die Pelle komen , die helemaal diep binnen in hem zat.
Pelle had niets gedacht
, toen ze wisten dat ze uit Laxenträsk zouden verhuizen. Maar Joel
en Per en Eva-Kristina
en de anderen waren jaloers geweest.
“Oei , heerlijk , als
je zo ver weg kan gaan,” hadden ze gezegd. Maar dan natuurlijk in de taal
van het Noorden. De
taal die ze hier in Göteborg niet eens konden verstaan. En ze waren
echt jaloers geweest op
Pelle , die door de straten van een echte stad kon lopen.
En
die misschien met de tram zou rijden. En die misschien elke zondag naar de
bioscoop kon gaan.
En die grote schepen in
de haven kon zien liggen.
En Pelle was groot
geweest , een grote jongen die uit het kleine Laxenträsk
zou vertrekken naar de
grote wereld. Maar nu stond hij daar klein en zielig met een huilprop
in zijn keel.
Vastgehouden door twee jongens uit zijn klas. Pelle werd zo kwaad en verdrietig
, dat hij zich los rukte en van de rots af rende. Zomaar tussen al die duizend
schoolkinderen. Hij rende en rende en rende.
Maar de jongens renden
achter hem aan.
Toen rende Pelle naar
de school en om de hoek. Daar stonden een paar grote jongens.Die
waren al bijna
volwassen. Eén van hen stak een voet uit toen Pelle aan kwam rennen. Pelle
zag het wel , maar te
laat. En hij schoof op zijn ellebogen en zijn knieën over de grond.
Een halve minuut later
kwamen de twee andere jongens om de hoek en ze wilden zich
bovenop Pelle laten
vallen.
Maar toen stak de grote
jongen , die eerst zijn voet uitgestoken had, zijn handen uit en greep
ze in hun nekken.
“Donder op,” zei
hij. “Donder op voordat ik jullie een pak slaag geef , snotapen.”
En de twee jongens
maakten dat ze wegkwamen.
Pelle krabbelde
overeind. Zijn ene hand bloedde , maar het was niet zo erg.
“Hoe is het ermee ,
kleintje?” zei de lange jongen.
“Dat gaat wel ,”
zei Pelle zacht.
“Wat zeg je ? Ben je
buitenlander ?” vroeg de lange jongen.
Pelle schudde zijn
hoofd.
“Kan je geen antwoord
geven , kleintje ?” zei de jongen.
“Ik kom uit het
noorden,” zei Pelle nijdig. “En ik praat gewoon zoals ze daar allemaal
praten.” Maar de
lange jongen lachte niet. Hij knikte alleen maar.
Pesterijen zijn onvermijdelijk. Ze hebben altijd bestaan en zullen
blijven bestaan. Ze horen nu eenmaal bij het leven.
Agressie en geweld zijn
minstens zo oud als de mensheid. Dit is echter geen reden
om er zich bij neer te
leggen. Als een persoon voortdurend getergd wordt door anderen
mag men dit niet
dulden. Gebeurt dit wel , dan ontneemt men het slachtoffer het recht
om in vrijheid te
leven. Pesten vormt m.a.w. een inbreuk op een basisrecht van elke mens.
Alle kinderen met ros haar en een bril worden gepest !
Het is een feit dat
uiterlijke kenmerken of aparte gedragingen een interessante reden
zijn om iemand op de
proef te stellen of te testen. Als men je plaagt met je rood haar
of omdat je dik bent ,
en je reageert op de verkeerde manier (bijvoorbeeld door te
huilen of door te staan
roepen en tieren) , dan weten de pestkoppen meteen dat ze
iemand voor zich hebben
die hen het nodige ‘pestplezier’ kan bezorgen. Voor hen
reden genoeg om het nog
eens te proberen.
Uiterlijke kenmerken
vormen dus niet de echte reden waarom iemand wordt gepest.
Ze zijn eerder de
aanleiding of doen dienst als een soort lokroep.Wie door de mand
valt
bij plagerijen riskeert in de toekomst pesterijen.
Concrete voorbeelden en
andere feiten spreken deze stelling tegen. Zo blijkt dat groepen
waarin een verziekte
sfeer heerst maar die desondanks een sterke samenhang vertonen
(omdat bijvoorbeeld een
kliekje iedereen tiranniseert) meestal slechts één zondebok
kiezen en behouden.
Daartegen stelt men
vast dat in een (klas)groep die weinig samenhang vertoont meerdere
zondebokken opduiken
(er zijn bijvoorbeeld verschillende kleinere kliekjes die weinig
uitstaans hebben met
mekaar). Daar zien we ook dat pesters soms zondebokken worden
en omgekeerd. Of het
gebeurt dat bepaalde meelopers later leidinggevende pestkoppen
worden. Ook zien we dat
vriendjes van de zondebok een veiliger positie gaan kiezen
om op die manier zelf
buiten schot te blijven (zo kiezen ze bijvoorbeeld de rol van
‘buitenstaander’ of
van ‘voorzichtige supporter’ , ...) Je kan dus moeilijk volhouden dat
alle relaties binnen
een groep van bij het begin vastliggen ; soms is dit het geval maar het
is zeker niet altijd
zo.
Al deze boeken zijn te leen in de plaatselijke openbare bibliotheek van Heusden-Centrum.
6-7-jarigen
Altijd moeten ze mij hebben BROERE, Rien
Eigen schuld, dikke bult VAN REEN, Ton
Ga jij maar op de gang! VRIENS, Jacques
Ga weg, Rik DE BOER, Claudia
Ik en mijn monster BEENTJES, Mathijs
Kleine Klaas en de grote vis VERROEN, Dolf
Pas maar op of ik eet je op VANDER HEYDEN, Gil
Reus Hak wil Miet in de pan MINNE, Brigitte
Te groot voor een noe-noe MURPHY, Jill
De wraak van Ellie en Nellie KROMHOUT, Rindert
8-9-10-jarigen
Benen in de kast VISSINGA, Heleen
Daniël VAN EMMERIK, Yvonne
Drie is te veel TÖRNQVIST, Rita
De folterkamer POLAK, Eva
Hippo DE BEL, Marc
Juffrouw Verdorie DAVID, Patricia
Mijn neefjes zijn wolven DE DONCKER, Wally
Morgen word ik heks VEREECKEN, Kathleen
Pudding Tarzan KIRKEGAARD, Ole Lund
De tasjesdief VAN HOOFT, Mieke
Treiterkoppen VAN HOOFT, Mieke
11-12-jarigen
Alles mag POLAK, Eva
De derde kans LINDERS, Jac
Eigen schuld BOS, Chris
En de groeten van groep acht VRIENS, Jacques
FC Appelflap FRIEDRICH, Joachim
Een klap voor je kop STARK, Ulf
Later wil ik stuntman worden VERREYDT, Detty
Mansoor, of Hoe we Stina bijna dood kregen MOEYAERT, Bart
Het pestactieplan DIDELEZ, Guy
Donna Lisa OLDENHAVE, Mirjam