(Klik op de pijl links boven om terug naar de oefening te gaan)

Naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde

Letterlijk of figuurlijk

Samenstelling of afleiding

Zelfstandige naamwoorden

Bijvoeglijk naamwoord

Lidwoorden

Signaalwoorden

Zender-ontvanger

 

Zelfstandige naamwoorden

Verwijswoorden

Onderwerp

     
     

 

 

Naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde

In een zin herken je meestal twee delen : een onderwerp ( wie het doet, wie of wat het is) en een gezegde       ( wat men zegt over het onderwerp.)

In het gezegde staan bijna altijd werkwoorden

Indien die werkwoorden zeggen wat het onderwerp doet dan spreken we van een werkwoordelijk gezegde.

Het werkwoordelijk gezegde bevat altijd alle werkwoorden uit de zin.

Soms zeggen de werkwoorden alleen wat het onderwerp is of wordt. Het zijn dan naamwoorden die de zin betekenis geven. We spreken dan over een naamwoordelijk gezegde.

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit de werkwoordsvormen van zijn of worden + een naamwoord

Voorbeelden werkwoordelijk gezegde

Hij fietst heel snel.

We moeten in de klas goed opletten

Voorbeelden naamwoordelijk gezegde

Ik ben ziek.

Hij wordt heel rood.

 

 

naar boven

 

 

Letterlijk en figuurlijk

Sommige zinnen zijn niet letterlijk bedoeld maar figuurlijk.

Wanneer een zin echt uitdrukt wat er in staat is het letterlijk.

Bijv. De aap zit op een tak in de grote boom

        De man schildert de deur van het nieuwe huis.

Soms worden zinnen niet letterlijk maar figuurlijk bedoeld.

Bijv. De aap komt uit de mouw

        Hij valt met de deur in huis.

 

naar boven

Samenstellingen en afleidingen

Indien een woord bestaat uit twee woorden dan spreken van een samenstelling.

bv. kleuter-klas    winter-tuin    mode-show   klas-krant

Indien een woord afgeleid is van een ander woord dan spreken van een afleiding.

bv. schoolse    kinderachtig    kindje    

 

naar boven

Zelfstandige naamwoorden

Zelfstandige naamwoorden geven namen aan personen, dieren en zaken. (soortnamen)

bv. kast, deur, schipper, paard, agent

Sommige zelfstandige naamwoorden zijn eigen aan één persoon of dier (eigennamen)

bv. Jan, Erika, 

Enkele eigenschappen van zelfstandige naamwoorden

   Je kan er meestal een lidwoord voor plaatsen : de kast, de ezel, een agent

   Je kunt er één of meer personen, dieren, zaken mee aanwijzen. Ze staan dus in het enkelvoud en het            meervoud  : de kast   de kasten    het paard   de paarden

   Je kan ze een staartje geven : kastje, paardje, raampje    We noemen dit verkleinwoorden

     

 

naar boven

Lidwoorden

De lidwoorden die we kennen zijn : de, het, een

Ze staan altijd bij een zelfstandig naamwoord.

 

naar boven

 

 

Bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden staan bij een zelfstandig naamwoord en zeggen iets meer over dat zelfstandig naamwoord.

Deze woordjes noemden we vroeger ook wel hoe-woordjes.

Bv. Hij woont in een mooi huis.

 

naar boven

 

Zender - Ontvanger

De zender is degene die een boodschap verstuurt en de ontvanger krijgt de boodschap.

 

naar boven

Signaalwoorden

Signaalwoorden kondigen een opsomming aan, melden een reeks voorbeelden en helpen bij de indeling van een tekst

bv.     Om te beginnen lees ik jullie eerst een tekst voor.

          Ten slotte volgde er nog een mooie film

 

naar boven

 

 

Verwijswoorden

Verwijswoorden zijn heel belangrijk als je een tekst goed wil begrijpen.

   Ze verwijzen naar :  (in een tekst) 

                        - personen, dieren, zaken

                             bv;. De kat is heel mooi. Zij is heel mooi   

                        - naar  wijze, reden

                            bv; Hij studeerde heel flink. Daardoor behaalde hij goede punten.

                           - naar tijd

                            bv. Morgen gaan we op reis.

                           - naar plaatsen

                            bv. Zij reizen naar Spanje. Daar schijnt altijd  de zon.

(buiten de tekst)

bv. Wat heb je daar verstopt ?

De betekenis van deze verwijswoorden vind je niet in de tekst.

 

naar boven

 

Het onderwerp

In een zin staat meestal een onderwerp.

Hoe vind je het onderwerp ?

    1. Wie of wat .... doet het ?

                        ..... is het ?

bv. De jongens voetballen buiten.               Mag ik naar TV kijken ?

    2. Als de PV voorop staat volgt meestal het onderwerp.

bv. Lopen de kinderen over straat ?

 

naar boven

 

De persoonsvorm

Hoe zoeken we een persoonsvorm in een zin ?

    A. Ja-neen vraag

        bv. Hij loopt snel     Loopt hij snel ?  

    B. Als een zin met een vraagwoord begint staat de pv achter het vraagwoord.

        bv. Wie heeft dat gedaan ?

    C. Als je de zin van tijd verandert dan verandert de pv ook 

        bv. Hij werkt hard.    Hij werkte hard.

    D. Als je het onderwerp van getal verandert dan verandert de pv ook.

        bv; Hij leest de krant.           Zij lezen de krant.

 

naar boven